Het orgel is gebouwd door de bekende Deventer orgelbouwer Carl Friedrich August Naber in 1827.
Het was z'n eerste werkstuk als zelfstandig orgelbouwer.
Voor 1827 werkte hij samen met Heinrich Quellhorst, die orgels bouwde voor de Grote Kerk in Elburg (1825) en de Bethlehemkerk in Zwolle (1826). De kassen van de laatstgenoemde orgels vertonen een grote overeenkomst met de versieringen op ons orgel, die de z.g. Empire-stijl heeft. Het orgel heeft 17,5 registers en ongeveer 1050 pijpen welke bespeelbaar zijn met twee handklavieren.

Tijdens de laatste restauratie (1994), is het pijpwerk in zoveel mogelijk originele staat teruggebracht, en de kas opnieuw in de oorspronkelijke kleuren geschilderd. Op restauratie wacht nog het z.g. regeerwerk, dit is de verbinding tussen de toetsen en de ventielen.

Voor de bouw van het orgel heeft Gerrit Noordink, bewoner van "Sorghfliet" te Terwolde een belangrijke rol gespeeld, zoals u kunt lezen op de borden terzijde van het orgel.
 

Dispositie:

Hoofdwerk                                           Onderpositief:
Prestant                    8'                        Viola di Gamba            8'
Bourdon                  16'                        Prestant                        4'
Gedekt                      8'                        Holpijp                           8'
Octaaf                       4'                        Doesfluit                        4'
Quint                          3'                        Gemshoorn                   2'
Roerfluit                     4'                        Flageolet                       1'
Octaaf                        2'                        Dulciaan                        8'
Woudfluit                   2'
Terts                    1 3/5 '                        Klavieromvanf C-f³        Manuaalkoppel I-II.  Tremulant
Mixtuur               V/VI st                        Pedaal aangehangen aan het hoofdwerk.
Trompet (bas/disc.) 8'
 

De Organist

Op zijn trapje zonder loper
klimt de organist omhoog.
Eenmaal op de bank gezeten
start hij met z’n monoloog:
’Even kijken naar dat voorspel,
acht triolen op een rij;
‘k neem de roerfluit met de holpijp,
daar komt de prestant er bij!’

Zo zit hij dat uit te kienen,
o, kijk uit, het lichtje brand….;
Zachtjes gaat hij preluderen,
melodie in linkerhand.
Voeten in twee oude gympjes
glipt hij over het pedaal;
af en toe grijpt hij een stukje
op het ondermanuaal.

De gemeente is onkundig
van de man aan het klavier.
Laat hem boven maar betijen,
ieder diertje zijn plezier;
en, zo door elkaar genomen,
heeft hij het niet ver gebracht,
want hij speelt te snel, te langzaam,
veel te hard of veel te zacht.

Met een lofzang en dan ritmisch
is ’t de wereld op zijn kop,
want dan gaat het al veel vlugger
en dan jaagt hij je nog op.


 

 

 

Ook van het collectespelen
brengt de man niet veel terecht.
Van de ‘peepjes’ hoor je nauw’lijks
dat de buurvrouw ‘dank je’ zegt….

Als hij er een keertje naast grijpt,
(zo eenvoudig, ’t hijgend hert),
schudden heel meewarig hoofden:
’t was vanmorgen weer-es snert!
Het mag honderd keren goed gaan,
maar pas op voor honderd-een,
want de broeders en de zusters
klagen heel gauw steen en been.

Naast de dominee, de koster,
die trouw ’t orgelbriefje haalt,
wordt de organist gewoonlijk
niet of veel te laag betaald,
want hij heeft een erefunctie,
het verwijdt zijn horizon,
met het doorgesleten zitvlak
van zijn beste pantalon.

Van het trapje zonder loper
komt de organist omlaag;
en, ofschoon hij wel eens moppert,
spelen doet hij toch zo graag.
Of hij Bach speelt, of veel erger,
Feike Asma en Jan Zwart;
als hij ’t orgel weer laat zingen
doet hij het met heel zijn hart!

 

Terug naar beginpagina

 

Laatst bijgewerkt: 08-09-2011